krijgen... iets heel mals... ik weet niet...’
Zus trok de schouders op; wie kon daar nu uit wijs: iets heel mals...
Ze stonden nu voor een galanterie-winkel.
‘Een sieraadje soms?’
‘Och, ik weet niet. Wat voor sieraadje dacht jij dan?’
‘Een speldje? Een kralensnoer?’
‘Och nee, wat heeft ze daar aan. Ze zou het toch nooit dragen.’ ‘Maar wat dan!’ werd Lea’s zus wanhopig.
Lea zweeg nadenkend, liep maar weer door.
Opeens stond ze stil.
‘’k Heb het!’
Ze stonden nu voor een muziekwinkel. Piano’s, orgels, allerlei muziekinstrumenten.
‘Wat dan? Wou je haar een piano geven?’
‘Was ’t maar waar’, zei Lea ernstig. ‘Als ik rijk was, was er al lang muziek in Rozijntjes huis, zat ze allang ’s avonds aan de piano. Maar’, - met een zucht, - ‘ik ben niet rijk...’
‘Straks zei je van wel!’
‘Toen dacht ik, dat ik rijk was, omdat ik dingen van een gulden zag. Maar als je piano’s ziet, ben je arm.’
Haar zusje voelde veel voor die filosofie. Ze wist het zelf maar al te goed, had ze van haar zakgeld geleerd.
‘Maar wat wou je dan?’
‘Zie je die witte celluloid fluit daar niet liggen? Dat is toch muziek? Daar kan Rozijntje toch van opfleuren?’
‘Kan ze fluitspelen?’
‘Leert ze gauw genoeg. Als ze do-re-mi-fa-sol maar leert te vinden. Zal ik het doen?’
En ze deed het. Op het zelfde ogenblik dat Rozijntje de pan met pot-eten stampte op de maat van een liedje, dat ze zachtjes neuriede.
127