en zette hem voor haar in de schuur.
En toen ze samen de keuken in stapten, allebei met stralende gezichten, - vader die aan z’n grote dochter van z’n zaken had kunnen vertellen, en Rozijntje, die had mogen luisteren, - toen stond de tafel al gedekt. Dat had Lea gedaan.
Met meneer z’n wollen das nog om de schouders gespeld, in haar lichte jurk, met ’r haren een beetje verwaaid, stond Rozijntje daar als een vreemd ding in haar eigen keuken, - zó gelukkig, zó gelukkig, dat ze ’t wel wou uitschreeuwen.
Wat een middag! Wat een middag!
HOOFDSTUK XVIII In de put
De wollen das van meneer was misschien wat te laat gekomen, -misschien had Rozijntje hem al op de heenweg om moeten hebben met haar dunne jurk op die herfstdag. Want twee dagen later was ze zo verkouden, zo verkouden als ze zich niet herinnerde ooit te zijn geweest.
De eerste dag al deed ze niets dan niezen. Haar ogen werden klein achter de zware, slaperige oogleden, die ze met moeite openhield.
De volgende dag had het niezen opgehouden, want haar neus wenste geen enkele nies te laten passeren, geen nies en geen adem, niets meer.
Ze deed haar werk, omdat het gedaan moest worden. Maar ze had haast geen andere gedachte dan hoe ze in ’s hemelsnaam aan adem moest komen, zo lang die neus koppig bleef en de weg versperde.
Haar ogen traanden voortdurend. Stumperd, ze zag er niet erg
111