12 DE JEUGDGROEP
Toen Tirtsa terug kwam, trof ze een grote leegte aan: haar groep, de jeugdgroep, was intussen tijdelijk vertrokken. Het leger had de laatste tijd ingesteld, dat iedere groep nieuwe jonge mensen, van zeventien jaar af, die al minstens drie kwart jaar in het land waren, een paar maanden geoefend moesten worden, om, als ze zich vestigden als nieuwe nederzetting, tot zelfverdediging in staat te zijn. Een paar maanden, — de chawériem keken bedenkelijk, als ze van een paar maanden spraken; rondom was alles nog zó onrustig en onzeker, dat ze niet konden geloven in die paar maanden.
„Maar zij zelf zijn hier weggegaan, alsof het een uitje was,” vertelden ze Tirtsa. „Ze vinden het een afwisseling, en ze geloven dat ze over een paar maanden hier terugkomen als helden.”
Het was een raar gevoel, zo zonder haar kornuiten. Tirtsa was nog geen zeventien, en bovendien hoorde ze niet tot de nieuw-
120