gebied liep, — toen was er één bijna nog gelukkiger dan de moeders zelf. Tirtsa.
Want Tirtsa was door de kibboets aangewezen om de moeders te begeleiden en te helpen en er een week te blijven, tot de eerste moeilijkheden van het opnieuw in orde brengen van het baby-huis achter de rug zouden zijn.
„Weet je, wat het betekent?” vroeg de leidster van het eigen baby-huis, toen ze Tirtsa de opdracht overbracht. „Een volwassen kracht konden we hier niet missen, en nu kom jij in plaats van een volwassen kracht.”
„Ja,” zei Tirtsa.
„Je zult onderweg en daarginds lang niet zoveel hulpmiddelen vinden als we hier gewend zijn. Er is veel verwoest.”
„Ja,” zei Tirtsa.
„En toch dacht de vergadering van chawériem, dat we het jou wel op konden dragen. Durf je het aan?”
„Ja,” zei Tirtsa.
112