ACHTSTE HOOFDSTUK
Napoleon was ter nauwernood een jaar op St. Helena, of hij begon zich ziek te voelen. Op het einde van 1816, in December, nam men al verschijnselen waar, die er op wezen, dat zijn gezondheid achteruitging. Vóór dien tijd was hij een „homme de granit.”
Gedurende zijn loopbaan hebben hem maar eenige onbeduidende, spoedig-eindigende ongesteldheden geplaagd; eenige keeren aangezichtspijn en een paar „gal-brakingerJ’ Dat hij aan epilepsie zou hebben geleden, is al lang gebleken onwaar te zijn. Nergens in de mémoires, herinneringen of geschriften van hen, die dagelijksch en in zijn onmiddellijke nabijheid verkeerden, noch door Constant, noch door Roustam, noch door een der personen, die met hem op St. Helena waren, vindt men er iets van vermeld, l)
De twee ongesteldheden, die hem het langst en het meest last hebben gegeven — daargelaten, dat hij nu en dan aan haemor-hoïden leed (onder anderen in den slag van Waterloo) — waren zijn dysurie, die hoogst-waarschijnlijk van nerveuzen aard is geweest en die hem bij den slag aan de Borodino zóó hevige pijn bezorgde (de weinige kleine steentjes, die men na zijn dood in de blaas vond, kunnen er de oorzaak niet van zijn geweest) en de schurft, die hij al bij het beleg van Toulon zou hebben opgedaan, doordat hij een kanonnenwisscher, van een soldaat, die met schurft was behept, van dezen overnam. Naar de thera-
1) De legende van die toevallen zit zóó vast, dat in een werk, verschenen in 1910, „Der Sexual-verbrecher” van Staats-anwalt Dr. Erich Wulfïen, niet alleen die epilepsie door den schrijver nog wordt vermeld, maar dat deze er de „bloeddorst,” die Napoleon tot het voeren van zoovele oorlogen aanzette, uit tracht te verklaren ! Duitsche grondigheid en Duitsche wetenschap!