44 STILLE UREN.
rende windzuchten te strijken over de vlakte, naar voren dragend uit de zon-levende verte uit-streelend in het achter-hoogend bosch met licht-wit ritselen door de takken. Langzaam zogen de uiteenbrokkende wolkmassa’s voort, grooter tus-schenplekkend de diepe innigheid van het vlekkeloos luchtblauw, diep-schemerende schaduwen dragend over het land, die luidloos, geheimend heengleden naar de wijdzonnende ruimte, waar zij uitlosden, onmerkbaar kleiner en kleiner tot in de overwelvende koepeling van kleur-zuiverenden glans, die de zonneschittering naar onder straalde. En de hemel stand in een ruim-welvende strak-king van eindeloos-diepende gelijkheid, even nog vaag-schemerend in de verre buiging van den horizont, waar de laatste wolken ineengrijsden, witgelicht langs de pluis-dunnende randen in on-werkelijken schijn.
Ongemerkt was hun spreken ingezwegen tot een peinsdroomend stil-zijn. Languit liggend onder haar hooger zitten, was hij blijven staren naar haar zacht-blank gezicht. Zij zat even boven hem, rechtop met de slanke lijning van haar jonge lijf, haar wit-kleine handen denkeloos le-