42 STILLE UREN.
nog goud-vlam-rondend boven de ineen-kleurende poedering van den horizont, langzaam inlossend de rood-webbende veeging van onwerkelijk licht, dat luidloos tegen de optrillende sterren heen-donkerde.
Toen het dun-lichte helderen van den nacht begon op te droomen over hun ver-weg-zijn buiten de menschen, was hij met haar teruggegaan naar de stad, in een vaag-visioenend voelen dat een eindeloos-durende tijd gelukkigd had over hun bijeenzijn, dat een sprookjes-klankende zanging van onwerkelijk geluid in die lange uren over zijn leven had gezongen. En het was hem geweest of de duisternis van de Zondag-avondstad, of de laat-warrelende menschenwerkelijkheid harder dan ooit te voren tegen zijn voelen had geruwd.
De tweede keer. Zij hadden den geheelen dag in het bosch geloopen en waren ’s middags gaan zitten aan den zoom van het hout, langs de hei, tegen de glooiing die schuinde onder den laatsten opstand der boomen. Het was een broeiwarme, zonloos-lichtende dag, zonder koelend wind-zuchten loomend over de wijd-donkerende heivlakte, die roerloos, egaal-tintend neerlag naar