STILLE UREN. 139
rondom, zonder helpend steunen naast zich, neerbuigend onder den groot-angstigen omstand van onverschillige vreemdheid. Scherper-luidend in zijn hoofd, hoorde hij de dreiging pijnen dat hij nooit meer gelukkig zou zijn, dat altijd de kort-oplichtende momenten van geluk-voelen in zijn verder leven zouden worden heengesomberd onder de dekking van snijdend berouw dat zij weg was uit zijn leven, voor altijd weg en dat de herinnering aan de mooie uren van haar mee-zijn in zijn bestaan nooit zou heenslijten. Zijn voelen was geknauwd, neergeknakt tot een dorre, wrang-bitterende leegte, waarin de wanhoop zou blijven klagen van haar weg-zijn tot aan het opluchtend einde van zijn dagen, tot het laatste uur waarin hij bewust zich zou voelen meeleven in de lichteloosheid van zijn bestaan.
En klein ineenmattend onder de loodende droefheid die plotseling over hem zwaarde, ging hij langzaam-stappend terug langs denzelfden weg dien hij kort tevoren had geloopen onder de kalm-berustende herinnering van den mooi-geleef-den dag, dof-starend zijn oogen naar het late licht dat van den hemel treurde in gouden weemoed.