STILLE UREN. 97
dachte die met hem was gebleven uit de lichtheid van den dag, dat zij nooit beter zou worden, dat zij verloren was voor altijd.
Nu, in de rustig-matte neersteuning van zijn lichaam, terwijl hij vaag, onduidelijk de zomergeuren voelde wolken over zijn droomen, zag hij dien avond weer, en was ’t hem of hij de zwaar-steunende moeheid van haar lichaam weer voelde tegen zich aan. Maar, angstig-benauwd voor de scherping van dat voelen, trok hij zijn oogen open, wonderend ziende het plotseling heen-zijn van het beeld, dat in zijn oogenduis-terheid was geweest met werkelijke lijning. De kamer stond donker, beweegloos onder de limpide zuiverheid van den nacht, vaag-lichtend van den kleurenschijn der vensters aan de overzij, luid-loos onder de zachtweeke heen-vloeiing van ge-heim-VTeemdende tinten. Alleen de stage mom-peling van menschenstemmen beneden, trok eentonig, klankloos door de stilte.
En ongemerkt sliep hij in, een dunnen, mooi-droomenden slaap, waaruit hij telkens even waakte en waarin hij zijn herinneren dwong naar gelukkig-vredende beelden van vroeger
7