176
Nog had het denken aan haar kind haar vastgehouden van haar willen, nog had zij geangst heen te gaan en haar kind nooit wêer te zien, snijdend tusschen hun bestaan een nooit weer te dekkende scheuring. Maar alles wat zij zag opsnellen voor haar onrustig zien was heenge-somberd achter het donker-belovend waas van haar volgend leven, zonder den grooten lichtschijn die in de laatste maanden haar dagen had ge-mooid, en die haar een korten tijd haar bestaan minder lêeg had doen voelen.
En zij was heengegaan uit haar huis, voortgejacht door altijd die ééne verlangende gedachte Theo weer te vinden, brekend haar heele leven, blind voelend voor alles om haar heen, alleen ziende in de krankheid van haar willen het illusiënd idee dat zij gelukkig kon worden wanneer zij met Theo zou zijn, heen vergetend de langzame weg-drabbing van hun liefde, vaag herinnerend hoe zijn liefde was ingekoeld tot een gewone passie.
Wanneer zij nu terugzag naar de weinige dagen die zij was geengeweest, was ’t haar of een benauwende droom in dien tijd geklemd had op haar leven. Een eindeloos zitten in den nachttrein naar Parijs, alleen in den leegen coupé, slapeloos rechtop starend uit ’t venster; een nooit eindigende lentenacht onder ’t vermoeiend doordenderen van den trein, altijd voort, de dag die langsaam weg-