152
nêer-zijn voor haar genot, toegevend haar te vreden zijn tegen zijn alleen blijven in de eenzame verveling van zijn lêeg huis.
Maar terwijl zij in haar beterend denken voor zich zette een anders willend doen, pijnde door haar voelen een wanhopig benauwend verdriet dat zij niet meer zou hebben wat in de laatste weken haar dagen had gezonnigd met een weemoedig mooi droomen, dat haar illusiën zou uit zijn van wat zou kunnen, dat zij wêer zou leven eenzame uren zonder vreugdepeinzen, loom-mat starend in een eindelooze lichteloosheid, zonder de telkens zangende vreugd van haar stille genegenheid te koesteren met ’t warmend mooi van haar fantaisie.
En in een plotselinge vaging van pijn-willend leven, drukte zij vast in haar plicht-voelen de smart van een offerend liefhebben, geheim te bewaren wat er rondzong in haar ziel voor den anderen, nooit te zullen zeggen wat zij zou hooren klagen in haar eeuwig-slepende ellende, altijd vroolijkend een gelukkig vreden voor haar man, verder en verder heen-schuwend het beeld van den ander, om terug te boeten haar ondankbaar verachten van zijn goede liefde.
Toen zij aan de Jan Steenstraat kwamen gleed zij zijn arm zacht nêer onder den haren, wijder loopend van hem heen, probeerend met een gewone stem te spreken over wat om hen heen was.