zwerfsterren de vogels der atmosfeer; een schip: dags wil die uitstevent en koerst.
In regenboog groeit de gotiek der kerken want wie de brug beklimt ziet cirkels als puntige ellipsen-en ge zijt beklimmer! -de top der torens: ’t rond, geweldig Oog; het aardse lied, uw goed volkslied: Gods stem; de opstandge wind der rotsbergen, der akkers, waar dag in viel tot weke humuskluit, de wind der heide en van ’t ópheevlend duin, de wind der strandhuizen, der naakte golven, de grote wind, die wisselt land en water,
Wereldverschikking de wind! zweept hij ’t volk zo ónder gronds bast, waar houwelen ketsende breken ’t grauw, stug bloed uit gebukte muur, ogen zich vast sluiten, beschaamd voor ’t licht, klam veenslijk sliffert en de wagen kreunt-als op de velden, waar deernen ze klemmen, graanschoven, hare liefde, in hete arm te brand aan haar borsten, of er nieuw leven vruchtvaardig lag in zons geel, manbaar koorn, -als in de uitkijk, waar de starre vrees onder ’t vizier der handen doorschiet, waarlangs arenden optrekken naar het nest, waarlangs heenstrijkt het kwalmend gas der schachten, waar-rond staan winters en zomers;-daarboven klapwiekt het vliegwiel der gepeesde mijn
en óver ’t al, mijn vriend, een Man, staat gij!
19