VOORDICHT
's Ochtends, de zon een heuvel aan de kim, sprongen wij op, en zalfden onze voeten en stoven lach: gaan wij de wolken hoeden, het graan verbazen met sikkel en wind!
(Brood zijt ge en zout, o liedren van het dal)
Wat wij gedachten? — Wil, gezel, en werken!
Wat wij vergaten?----Haar die, steen en verven,
stond in mijn hut, Maria onder glas----
Gezel, dat land! De geiten langs het pad vierden op distels feest. (En toch, de berken schilferden, dun en wit — of we niet merkten dat herfst zich nestelde waar zomer was—)
Halli! de bodem had een faunenborst; de leemen heuvels met hun veeg van wouden trilden onstilbaar in den greep der blauwe lucht en rivieren, morgenkoelte en vocht!
Halli! de dubble stap leek eene bijl van snede en vurigheid op beide kanten.
De sikkels, het gevest in onze handen, gaven scheef lonken aan de luchten prijs----
Dien dag viel god verloren in twee mannen.
Van zijnen euvelmoed dreunden hun armen; maar ieder ding werd klein gelijk een hart en ieder hart werd smeekend als een harp.
En in de harpen brak het zeisepaar.
Hoe was hun sliert en hun eenvoudig slaan fijner dan spitse zon en klaarder dan refereinen, gezongen op het water! —
15