XXXVII.
Nirwana.Eens — naar de mythen van dit Rijk gewagen — Ontlook een Lotus in de hemelkringen,
Waarvan de reuzenbladen, uitgeslagen,
De Aarde — daarin sluimerend nog — omvingen Als luchtboog. !) ’t Is of nu reeds bij het dagen Zo’n Bloem weer vaamt vaneen, welks kartelingen Een jonger Globe — in haar schoot voldragen — Langs hare kim met rozengloed omringen En dra Zij zelf in de Voleinding troont,
Waarin eens Boeddha ’s Werelds Kelk bezweefde, *) ’t Nirwana spoedig ook mijn strijd bekroont, Waarin ik haar herschepping medeleefde.
Dan wil ’k in Rust, waar ’k star nu heen blijf stijgen, Hoog Gea’s Uni-Adelaar kampwaars tijgen.