71
XXIII
AVONDSTOND
En ’s avonds tussen meen’ge kamerwand,
Kilwit gelijk de parelblanke Maan,
Als hij vol, ouwelplat, in ’t blauw zijn rand Scherpt, vlamt om ’t doodstil zwart of hoogrood staan Van ’t teeblad*meer, om den chibatsbbrand x)
Gekelk van lotuskoele, lichte blaan
Van teer porselein, waar kleiner meer in spant,
Van tcha 2) en waaruit prikkelend geuren gaan Naar moesmé’s in ’t spits uitgesneden kleed,
Dat kartelend als gebloemt de vloer bebreed.
Dan rozebloost deurlat*geruit en muur Van lampions, bemorsd met rood, als vloejt In huis aan huis weerschijn van ’t lotus*vuur,
Dat zacht en vroom voor ’t beeld van Boeddha gloejt.