trekt driftig-onhandig mijn broek van mijn gat en legt me over zijn knie. Zijn volle hand komt op mijn billen terecht alsof hij er spijkers in wil slaan, of naalden, het prikt overal tegelijk. 'Jij blijft voortaan wel van je broertje af.'
Een jongetje huilt op de stoep van het Frederik Hendrikplantsoen. Zijn moeder trekt hem mee naar binnen, het gebouw in met gaas voor de ramen: de grote school. Ik jank lekker niet. Ik ben al op het bewaarschooltje geweest, er vlak bij. Moet je daar bang voor zijn? Maurits is nog op het kakschooltje, maar nu word ik net zo groot als Saartje.
Vader is failliet gegaan omdat hij een enorme partij oorlogsveters niet meer kan verkopen. Daar wordt over gesproken, daar wordt ruzie over gemaakt, en geschreeuwd, zodat ik mijn hoofd onder de dekens trek. Ons huis wordt geveild, ook het pakhuis aan de overkant, en wij hebben geen woning meer. Verhuismannen komen de kamer leeghalen: de roodbruine kast die eruitziet als een brede man met een buikje, en die altijd vlamt op zijn wortelnoten huid, behalve die dag, omdat hij niet meer is gewreven en dof geworden als het haar van een ziek kind. Moeder neemt het tinnen, peervormige theepotje, en het rode pluchen kleed van tafel, dat aan de kamer juist zijn geheimzinnige warmte gaf.
Achter het oliestel in de keuken staat nog een schoteltje met afgebrande lucifers, daarnaast een doosje echte. Er is niemand bij. Ik kan er gerust een aansteken om te zien hoe lang hij brandt. De vlam is op de helft, en als ik niet uitkijk, schroeit hij mijn vingertoppen. Weer steek in een lucifer aan, houd hem bij de
18