moet opstaan', zegt de zuster. Ik lig toch niet bij Saar-tje in bed? 'Ja, jullie moeten opstaan.' Het is opoe, zij wil de boel aan kant maken.
Nu is Saartje al een dag dood. Vader is weg, vertelt moeder, hij moet de Joodse Gemeente betalen en nog veel meer dingen regelen. En ik had vader willen vragen of ik Saartje nog mocht zien. Nu is hij er niet.
'Gaan jullie de boodschappen doen?'
We doen er lang over, voor opoe, binnen is het helemaal erg.
Vader is er weer. Alles is geregeld. Morgen wordt Saartje begraven. Morgen?
'Zo vlug al, vader?'
'Ja, mijn jong, dat is zo bij ons, doden mogen niet te lang boven aarde blijven.'
Waarom durf ik nooit te vragen wat ik juist het liefst zou willen? Ik durf niet eens te zeggen dat ik haar nog had willen zien.
Weer slapen we bij opoe. Waar ben ik? Wat is dat voor een tafeltje? Ik ben uit bed gevallen. Verschrikkelijk, vandaag wordt Saartje begraven. Wij zullen haar nooit meer zien.
Moeder blijft thuis, met opoe en de tantes. Zij gaan niet mee naar Diemen. Mogen vrouwen niet mee of is het omdat moeder nog niet goed is ? Ik weet het niet en durf het niet te vragen. Zullen wij samen bloemen kopen voor Saartje, Maurits? Het mag niet, dat doe je niet op een joodse begraafplaats.
'Wilt u invallen als het kaddisj wordt gezegd?' Vader vraagt het aan opa, zelf kent hij geen Hebreeuws.
We gaan niet meteen naar de begraafplaats. Saartje ligt in de Nieuwe Kerkstraat, in een kist. Wij staan erbij in een klein vertrek, er is weinig ruimte. Daar heb je
156