KNOKKIE
Mijn hart klopt in mijn keel als ik wegren, met Maurits achter mij aan. Ik wil helemaal niet met hem vechten. Dat had ik me al duizend keer voorgenomen, de laatste tijd sinds we samen op de hbs zijn, en toch komt het er steeds weer van.
Als Maurits vroeger gebukt stond, gaf ik hem een zetje zodat hij voorover viel. Het ging vanzelf, zonder dat ik het wilde. Of ik gooide van achteren water in zijn nek. Of veegde een lik schoensmeer aan zijn blote teen. Daarom noemden ze me thuis de pestkop. En omdat Maurits een driftkop was, kwam het knokken vanzelf.
Maar dat is toch allang niet meer zo?
Hoe komt het dan dat we de laatste tijd steeds weer ruzie met elkaar hebben? Niet dat we vechten, dat wil ik absoluut niet, maar als we naar huis of naar school lopen en bij het Museumplein zijn aangekomen, is het onherroepelijk mis. Dan wil ik sussen, tegen Maurits zeggen dat ik het niet kwaad bedoel, terwijl hij al niet meer luistert en met stenen begint te gooien als ik weghol, tot we voorbij het ijsclubterrein zijn.
Nooit eerder hebben we elkaar zo fanatiek in de haren gezeten. Toen Maurits nog niet op de hbs zat, was er een grote rust tussen ons ingetreden. Nadat hij zijn elleboog had gebroken was hij nooit driftig meer. En ik kwam laat thuis van school, moest veel huiswerk maken, en Maurits had heel andere vriendjes, speelde op straat. Het was een tijdlang zelfs alsof we eigenlijk geen broertjes waren. En nu we samen naar de hbs
143