Tweehoog wonen we, in een huis dat de vorm heeft van een boerderij. De huiskamer lijkt op een spelonk met duizend hoeken. Een grote slaapkamer is voor pa en moe, een lange slurf voor Maurits en mij. En er loopt een trap naar boven, waar Saartje haar eigen kamer krijgt.
'Jullie mogen niet hollen, het is geen benedenhuis', waarschuwt moeder, maar we vergeten het, en de buurvrouw klopt aan: 'Kunnen de jongens wat zachter doen?'
Binnen is het óók zo gehorig. Ik slaap niet meer met Maup in één bed. Het kamertje van Saartje is vrij, ik slaap zolang in haar bed tot zij thuiskomt.
Daar heb je het weer.
'Niet doen, Barend, de jongens slapen nog niet. Toe nou.'
Ze fluistert het, maar elk woord kan ik verstaan. Dan is het stil.
Hoe lang? Een minuut? Vijf minuten?
Kon ik maar slapen. Vader snurkt, moeder ligt te woelen. Toen ze zich gisteren bukte heb ik haar borsten gezien, lang en uitgerekt. Ik schrok ervan, het was voor het eerst dat ik ze zag. Ik kijk wel eens bij andere vrouwen in hun jurk als ze zich voorover buigen.
Uit Tuindorp hebben we nu geen klanten meer, en daarom hebben we het nog armer dan eerst. Want nieuwe klanten zijn er niet genoeg.
Het is erg, want nu kunnen we de Fellows ook niet geregeld afbetalen. Ik moet er steeds heen. En elke keer moet ik iets bedenken.
'Meneer, mijn vader had het vorige week niet, maar hij zal de volgende keer dubbel betalen.'
'Dat belooft hij steeds. Waarom heb je het nu niet bij je?'
139