En nu zag ik Saartje weer helemaal voor me. Ze lachte. Terwijl de tranen in mijn ogen kwamen, stond ik op. Ik liep naar de kast waar haar mantel hing en aaide over de haren huid. Alles wat van Saartje was geweest moest voortaan zo blijven.
Op de plank lag Saartje's herbarium. Voorzichtig peuterde ik de bandjes van de kartonnen kaft los en keek naar de herfstaster, die ik voor haar had meegenomen van het opgespoten land. De boterbloem was uit de eigen tuin. Boterbloem? hoorde ik Saartje protesteren, een paardebloem zal je bedoelen. Dat kun je aan de bladen zien, en aan de dikke steel. Met een korte beweging knakte ik de stengel door. Ik bracht mijn mond naar het kleverige witte sap. Het was zo bitter als gal.
145