ter zo'n zwaar bakbeest loopt te duwen. Als het regent zijn er geen mensen op straat, en als je een keer goed vangt, moet je het altijd nog met zijn drie-en delen. Nee, nu ben ik taxichauffeur, dat bevalt me beter. Ook geen vetpot, maar je beleeft nog eens wat, en soms heb je een mazzeltje, dan wil een zeeman dat je hem rechtstreeks naar een hoerenkast brengt en hou je er een paar centen aan over. Zo is er altijd wel wat.'
Nu wilde ik toch echt naar huis.
Het leek alsof Duivenoord het voelde, en hij vroeg: 'Hoe is het je broer gegaan? Die heb ik toen eens ontmoet, weet je wel?'
Ik schudde het hoofd, maakte met mijn handen een verloren gebaar.
'Ook al/ zei hij. 'Net als je familie zeker?'
Ik knikte.
In godsnaam, als hij daar maar niet over doorzaagde, en ik stond op.
'Jij bent gemengd gehuwd, hè?' wilde hij weten terwijl hij ook opstond. 'Ja/
'Dan heb je geluk gehad. Jullie waren allemaal voor de dood opgeschreven, alleen was Hitier nog niet aan jullie toe toen de oorlog was afgelopen.'
Ik zweeg. Liep naar de deur.
Duivenoord ging voor mij staan.
'Ik ben eenzaam, zonder wijf, en mét mijn dronken harses/ sprak hij als in gedachten voor zich uit, 'maar wie er van jullie goed door is gekomen moet ook wel eenzaam zijn.'
98