dachten ordenen, en ik op mijn beurt nam hem op. Voor me zat een vriendelijke, gezette man, kort van stuk, met glimmende brilleglazen die zijn ogen iets schenen te vergroten.
'Ik zal maar met de deur in huis vallen. Op mijn redactie zijn twee zieken. Wil je me komen helpen?'
'Ik?'
'Ja, waarom niet? Je kunt toch wel een artikel schrijven?'
Wijnand Cohen, het hoofd schuin, keek me doordringend aan.
'Daar ligt je kans,' flitste het door mij heen. Zo verdwenen stenografen en correctoren naar de redactie, eerst als invaller, dan voorgoed, en werden redacteur, om vaak neer te kijken op die stomme stenografen. Of, als vrouw, trouwden zij met een journalist, en ook dat betekende maatschappelijke promotie. Ze moesten je er uitpikken, dan zat je snor. Eindelijk niet meer hoeven opschrijven wat anderen dicteerden. Niet meer de stijlfouten slikken van een beginnend journalist, of soms een grote bek krijgen als je ze er op wees. God-Jezus-nog-aan-toe. Ik hoefde maar 'ja' te zeggen. Maar kon je dan werkelijk vrij schrijven? Was je niet gebonden aan de lijn van de krant? Aan een hoofdredacteur die ten slotte besliste? Of je chef? Als stenograaf had je daar geen last van. Je nam het bericht van een ander op, uit. Je was er net zo verantwoordelijk voor als de zetter, de drukker.
'Nou, waar wacht je op?' vroeg Wijnand Cohen.
'Ik doe het niet.'
86