deren vergrootten haar aantrekkelijkheid. Achter in de dertig was zij nu, drie jaar ouder dan ik. Weduwe. Met een zoon van zeventien. Zij had te veel van haar man gehouden om nog weer te willen trouwen, had zij mij verzekerd. Aan haar zoon hing zij met een hartstocht, die zij voor zich zelf niet wilde erkennen, maar die hem wel eens moest benauwen.
Ik liep naar de kast om een schrijfmachine voor haar te pakken. Daar rekende zij op als op een verworven recht. Zelfs als zij de vroege dienst had, en ik een half uur later kwam, stond haar bureau nog maagdelijk. Toch ging zij prat op haar onafhankelijkheid als vrouw, en van andere collega's verwachtte zij een dergelijke dienst niet. Maar tijdens de 'leegloop', de stille tijd als de persen begonnen te draaien en er geen berichten meer binnenkwamen, beklaagde zij zich over het onrecht dat vrouwen werd aangedaan. 'Ze moesten eens collectieve arbeidsovereenkomsten maken waarin stond, dat kleurlingen, of joden lager werden betaald dan de anderen. De wereld zou op zijn kop staan, en terecht. Dat vrouwen minder ontvangen voor hetzelfde werk, wordt echter heel gewoon gevonden.' Als ze zo sprak kon ik haar wel omhelzen, raakte in de war met mijn gevoelens, en dacht: 'Je mag een vrouwelijke collega toch ook wel aardig vinden om haar zelf, moet je je zelf daarvoor eerst een of andere principiële machtiging geven?' Al die onzin. Maar eens zei ze tegen me: 'Ik ben voor de gelijkschakeling van man en vrouw,' en ik vroeg: 'Weet je wel wat je zegt? Gelijkschakeling? Dat is iets heel on
7 2