Met ijzer beslagen schoenen ketsen achter mij op de smalle stoep van de Utrechtsestraat. 'Kun je nog harder lopen', hijgt een stem. Verrek, het is Sjaak, die lang geleden lid was van de revolutionaire jeugdbeweging, en bij ons om de hoek woont. Hij is joods, maar als gemengd gehuwde hoeft hij natuurlijk ook niet naar Westerbork. Wat me in hem tegenstaat is dat hij een vleier is, ik heb daar altijd een hekel aan gehad. Maar dat hij het avondgymnasium heeft volbracht, is niet mis. 'Doe jij nog ergens aan?' vraagt hij onnozel. Wat gaat hem dat aan. Zo langzamerhand hebben we allemaal geleerd, dat je je mondje niet voorbij moet praten.
Ik wou maar dat hij opdonderde, want ik moet naar Rinus op de Kloveniersburgwal, en dat gaat hem geen bliksem aan. En steeds vraagt hij bijzonderheden over mensen van vroeger, die ik jaren niet meer heb gezien. Wat wil hij toch?
Hoe raak ik die klootzak kwijt? Het beste is, gewoon met hem door te lopen, en hou vooral je bek, Sal, bij Rinus zitten er zes ondergedoken. Je kan nooit weten hoe je andere mensen in gevaar brengt, al ouwehoert hij er maar over, want een ouwehoer is hij altijd geweest. Hij is me van vroeger zelfs nog geld schuldig. Altijd moest hij iets van je lenen. En nu zeg ik: 'Weetje dat ik nog geld van je te goed heb?' Verschrikt kijkt hij me aan, en verdwijnt haastig.
Joke staart voor zich uit, haar mantel nog aan, terwijl haar handen de armen van de stoel omklemmen. Soms komt zij plotseling bij ons en spreekt nauwelijks een woord. Zij wordt steeds dover, alleen Bep kan zich voor haar verstaanbaar maken. Zij is getrouwd geweest met mijn neef Karl, en is nog steeds niet over de echtscheiding heen.
98