Dan staat Michel op om in zijn laatste woord het politieke karakter van onze zaak te onderstrepen. 'Ik zal me er verder toe beperken, iets te zeggen over het Algerijnse drama, dat ten grondslag ligt aan de zaak die u, meneer de President en heren Rechters moet beoordelen. Ik vraag mij af of de christelijke en beschaafde vrouwen en mannen van West-Europa, die zich behaaglijk voelen in hun huidige betrekkelijke materiële welvaart, zich volledig bewust zijn van wat er al zeven jaar in Algerije gebeurt, wat thans in de hel van Angola plaatsvindt, of bij voorbeeld het drama van de Kongolese kinderen kennen, die bij duizenden van de honger sterven. Of zij zich ervan bewust zijn tot op welke hoogte onze beschaving nog een zaak is van de buitenkant, waaraan men maar even hoeft te krabben om te stuiten op een ondergrond van ongelooflijke wreedheid, van geweld en van onrecht tegenover onze broeders, de wreedaardig onderdrukte en uitgebuite gekleurde volkeren.
Kent men in West-Europa werkelijk de verschrikkingen van de koloniale oorlog tegen Algerije, het feit dat er in zeven jaar van slachting en marteling ongeveer een miljoen doden aan Algerijnse zijde zijn gevallen, dat er meer dan twee miljoen arme boeren uit hun dorpen zijn verjaagd, 'gehergroepeerd' in kampementen, dat er meer dan tweehonderdvijftigduizend Algerijnse vluchtelingen zijn in Marokko en Tunesië, vrouwen en vooral oorlogswezen, dat er meer dan dertigduizend Algerijnse vrijheidsstrijders zitten in de gevangenissen en concentratiekampen in Frankrijk zelf?
Mijnheer de President, heren Rechters, wij bevinden ons thans onstuimig, onherroepelijk in het tijdperk van de uitbreiding op wereldschaal van de socialistische Revolu
373•