'Akkoord', snauwt de commissaris, loopt naar de deur, geeft een wenk.
Even later wordt Michel binnengeleid.
'Wat weet u van deze geschiedenis?' vraagt hij aan Michel.
'Ik weet niets.'
Weer volgen ze elkaar op: brieven, kwitantie, kwitantie, handtekening, naam, steeds de mijne. Michel wordt alleen genoemd in de beschuldigingen van Ab, en dat is geen bewijs.
Plotseling richt Michel zich tot mij en zegt met zachte stem: 'Ze geven ons zeker acht jaar.'
Meent hij het? Wat moet er dan van de Internationale terechtkomen? Nu vraagt hij aan de commissaris:
'Is het mogelijk dat wij na onze veroordeling in dezelfde gevangenis komen?'
Samen met Michel, dat zou fijn zijn. Dan is hij niet zo alleen, en ik kan enorm veel van hem leren, alle revolutionairen leren in de gevangenis. Trotski noemde het de universiteit van de revolutie.
'U kan het vragen', antwoordt de commissaris, 'maar jullie krijgen geen acht jaar. Dan zouden jullie een moord moeten hebben gepleegd. Misschien tweeëneenhalf of drie.'
Hoe kan die commissaris het weten? Acht jaar, denkt Michel. Vijf, heb ik steeds gedacht, en dat is al verschrikkelijk lang.
'Ik geloof dat men het recht heeft zelfmoord te plegen als de ellende te lang duurt', merkt Michel op, en ik roep: 'Nee, Michel, nee.' Zijn woorden hebben me totaal overrompeld. Een revolutionair mag nooit zelfmoord plegen heb ik geleerd, en nu komt juist hij ermee.
330•