Een kleine magere man, met een zwarte hoornen bril op, een steeds bewegend smal gezicht, een haarlok die over zijn ogen valt en driftig wordt teruggeduwd, waarna hij een nieuwe sigaret aansteekt aan een nog brandende peuk, zegt: 'Uw vrouw heeft mij gevraagd of ik uw verdediger wil zijn. Zij zat bij ons in de huiskamer te huilen. Mijn vrouw en ik hadden zo met haar te doen. Zij leek wel een meisje en zij smeekte mij gewoonweg om voor uw belangen op te komen. Ze is gek op u, weet u dat? Het mensje, met de drie kinderen, het zal haar niet meevallen, hoe flink ze ook is. Zij verzekerde me bij hoog en laag dat u een eerlijk mens bent, en dat geloof ik ook wel. Wat niet betekent dat u uw persoonlijke belangen uit het oog mag verliezen. Ik heb de indruk dat u er met zes maanden af zult komen als u zich van uw vriend Michel losmaakt. U hoeft niets tegen hem te verklaren, alleen uw eigen verdediging ter hand nemen.'
'Dat doe ik nooit', antwoord ik fel, aarzel dan even om het hem duidelijk te maken. Kun je zo'n vreemde man wel alles vertellen? Dat ik even verantwoordelijk ben als Michel? Dat Michel bovendien voor de beweging onmisbaar is? 'Ik wil u graag als advocaat hebben, op voorwaarde dat mijn belangen ondergeschikt zijn aan die van Michel. Hij is hier vreemd, ik woon hier.'
'Afgesproken', antwoordt Mr. Smeets, en het lijkt haast of hij opgelucht is.
Het leven in de cel heeft zijn trage ritme, met onderbrekingen die je een nooit-vermoede blijheid schenken. Bep komt op bezoek met een van de kinderen. Eens per week. Een kwartier. Een bewaarder zit erbij en luistert naar ieder woord. Een toonbank scheidt ons, en toch gloeien onze
323•