onder mij vandaan, en nu zit ik met mijn rechterbeen beklemd achter de bumper van de auto. Languit lig ik op de grond, een kring mensen om mij heen. In een flits zie ik mijn aktentas liggen, een meter bij mij vandaan. Trek die naar je toe, Sal, er zitten kwitanties in van 1'Ami, die mag niemand in handen krijgen. Een dokter helpt mij, zo voorzichtig als hij kan, knipt mijn broekspijp open, betast mijn blote been en ik schaam mij, omdat er vlooiepikken op zitten. In het Binnengasthuis wordt de dubbele beenbreuk gezet. Ik word naar huis gestuurd omdat er geen bed vrij is; er zal een plaats worden gezocht in een ander ziekenhuis.
De volgende morgen zitten Michel en Hella als een stil verwijt naast mijn bed. 'Wat moeten wij in Nederland doen als jij in het ziekenhuis ligt? Hoe moet het verder met 1'Ami? Er zou een frère naar Amsterdam komen die je dringend moet spreken. Wie kan er in jouw plaats voor de Newsletter zorgen? Hoe lang duurt zo'n beenbreuk?'
In het Juliana-ziekenhuis komt de chirurg elke dag kijken of mijn been niet zwart wordt, terwijl ik steeds meer verrek van de pijn. Na twee weken trekt hij het uit elkaar om het opnieuw te zetten. Hij vertelt me dat hij officier van gezondheid in Indonesië is geweest waar de bevolking hem dagelijks bij tientallen tegelijk kwam raadplegen. Zijn eenvoud bekoort me, en ik vergelijk hem met sommige intellectuelen uit de Nederlandse beweging, die van kapsones naast hun schoenen lopen. Een zuster verwent mij, en ik plaag haar omdat ik niet gelovig ben, zeg dat er, als ik niet in de hel kom, geen hel bestaat.
291