Als er eindelijk een boodschap van Posadas komt dat hij aanstaande vrijdag met het vliegtuig zal arriveren, loopt alles opnieuw in het honderd. Het is midden augustus, hartje winter. Regenbuien geselen de straten, hagelstenen en lawines in het Andesgebergte vernielen elektriciteitskabels en ontwrichten het verkeer. Het treinverkeer is minstens voor een maand gestremd. In Santiago zelf heeft de Mapocho, in de zomer een uitgedroogde, slapende rivier, een spoor van verwoesting getrokken. Geen vliegtuig waagt zich meer boven het Andesgebergte.
Noodgedwongen verhuis ik van mijn pensionkamer naar een raamloos dakkamertje in een stoffig hotel, dat als legaal adres moet dienen om verlenging van mijn visum te bewerkstelligen, en een verblijfsvergunning te krijgen als technisch deskundige. Enrico, een vriend van de voormalige minister van Volksgezondheid Allende, die zich over mijn lot ontfermt en over relaties op het ministerie beschikt, sjouwt met mij van de ene ambtenaar naar de andere.
Diarree, dag in dag uit. Al een paar dagen lig ik in mijn hotelkamertje. Als ik opsta moet ik overgeven. Dan wordt er dringend op mijn deur geklopt: op het politiebureau komen. Rillend loop ik erheen, samen met Enrico. Men wil alleen inlichtingen hebben over mijn aanvraag voor een verblijfsvergunning. Ik kan niet antwoorden op alle vragen, maar mijn nieuwe Chileense vriend zorgt ervoor dat alles in orde komt: verblijfsvergunning voor mij, en ook voor het gezin, dat aanstalten kan maken naar Santiago te vertrekken. Hoera, schrijf ik aan Bep, want de mensen zijn vriendelijk, het land is prachtig.
Bep ligt in het ziekenhuis, voor een lichte operatie die zij wilde laten verrichten voor de grote reis naar Santiago. Er
259