En toch is het niet waar dat ik niet zou willen gaan, en dat ik alleen maar handel om aan Michel tegemoet te komen. Ik heb mijn jongensdromen, voorbestemd om grootse dingen tot stand te brengen, niet verloren, en ben nu ook overtuigd van de noodzaak van mijn reis.
Maar hoe kan ik daarginds mijn verblijf rechtvaardigen als er moeilijkheden mochten zijn? Healy stuurt mij een brief, waarin hij mij aanstelt als vertegenwoordiger van zijn Engelse uitgeverij. En ik stap naar het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis om met de directeur, professor Rüter te praten, vertel hem van mijn emigratieplannen zonder in details te treden, vraag hem of ik voor zijn instituut wellicht iets kan doen, en ook hij verstrekt mij een brief, waarin hij mij machtigt, in Latijns-Amerika namens het iisg bij bibliotheken en instellingen op zoek te gaan naar historisch materiaal, dat voor hem van waarde kan zijn.
Bij het verlaten van het gebouw, in de gang naar de deur, ontmoet ik tot mijn verbazing Jan de Etter, een voormalige RSAp'er, die door Henk Sneevliet uit de partij was gezet in de tijd dat ik in militaire dienst was. Hij had een rel geschopt, omdat oom Henk bij de dood van ministerpresident Ruysch de Beerenbrouck in 1936 in de Tweede Kamer ook een minuut stilte in acht had genomen. Het was een zuiver menselijk gebaar geweest, want ze kenden elkaar nog uit hun Brabantse tijd. Sinds dat ogenblik vertrouwde oom Henk de Etter niet meer. Dat hij, vóór zijn aansluiting bij de partij, in Moskou op de Komintern-school was geweest op voorstel van Daantje gpoe, zoals een bestuurder van de communistische partij werd genoemd die voor Stalins geheime dienst werkte, was al verdacht geweest, te meer omdat hij bij zijn terugkeer in
zzo