ik van Latijns-Amerika? Michel mag vooral niet denken dat ik niet wil. Natuurlijk, ik wil graag voor de beweging werken. En als ik er inleidingen moet houden, op een kaderschool? Over theoretische problemen? Daar raak ik nu al bij in de war, in Nederland en in mijn eigen taal.
'Je moet wel weten dat ik helemaal geen theoreticus ben', werp ik aarzelend tegen.
'Maar je hebt vele andere kwaliteiten.'
Welke kwaliteiten bedoelt hij? Terwijl ik me die vraag stel, gaat hij al verder: 'Ik ken maar één Sal Santen op de hele wereld.'
Het bloed stijgt me naar het hoofd, van verwarring en van blijdschap. Als Michel zó over mij denkt moet ik wel iets betekenen. In de revolutionaire leiding hoeven toch niet alleen intellectuelen en theoretici te zitten? Er zijn zoveel problemen die de arbeiders rechtstreeks raken en waarvoor óók mensen nodig zijn. Het is zo moeilijk over zulke dingen te spreken. Ik zou niets liever willen, maar er moet toch ook geld zijn voor Bep en de kinderen. Voor mij zelf kan het me niet schelen, en ik zeg bij wijze van verontschuldiging: 'Ik wil vóór, niet van de beweging leven. Maar we hebben drie kinderen, en Bep is niet zo sterk.'
'Dat begrijp ik', antwoordt Michel. 'Er is voldoende geld om je gezin een jaar te onderhouden, ten dele door het Internationaal Secretariaat, ten dele door de kameraden daarginds. Die zijn heel toegewijd, en zullen je met alles helpen. Zij kunnen je trouwens goed gebruiken, en je zult het er makkelijk hebben.'
Met een rode kop zit ik te luisteren, en zeg geen woord. Dan vervolgt Michel:
'Het is absoluut nodig dat je erheen gaat. Nu een derde wereldoorlog mogelijk en zelfs waarschijnlijk wordt, kan
211