Een nederlaag was het ergste. De tegenstanders van de staking zouden in hun vuistje lachen en zeggen: 'Zien jullie nu dat wij gelijk hebben gehad, dat staken uit den boze is?' Ik zou Schelfhout wel willen dwingen om op te staan en het woord te voeren. Ik keek tersluiks naar mijn buurman om te zien wat hij ervan dacht, doch hij staarde zonder gelaatsaandoening voor zich uit. 'Dus geen andere sprekers verder?' riep Boucher. Het was verschrikkelijk. Dat mocht toch niet, de waarheid verzwijgen. Zou ik naar het podium lopen? 'Je hebt je zelf mooi te grazen', schold ik in me zelf. Straks sta je als redder van de natie op het podium, maar daar leende ik me niet voor. En wat dan? Als ik mijn bek hield werd ik medeplichtig, omdat ik immers wist hoe het bij Het Vrije Volk was verlopen? Ze kónden me wat.
Haastig liep ik naar het podium, greep de microfoon.
'Hoe rottig ik het ook vind, bij Het Vrije Volk is besloten vannacht weer aan het werk te gaan.'
'Leugenaar', werd er geroepen, 'slijmerd.'
'Echt waar', schreeuwde ik de zaal in. 'Ik was er niet voor, doch de meerderheid wel. Dat had Schelfhout jullie moeten vertellen.'
'Sodemieter hem daar toch vandaan, voorzitter', riep iemand, en het boegeroep ontnam me de mogelijkheid nog één woord te spreken. De grond danste onder mijn voeten, en ik hield me aan de tafel vast om niet te vallen.
'Heus, ik was er tégen, ik wil jullie alleen maar waarschuwen', brulde ik opnieuw, en mijn stem klonk zo luid dat ik er bang van werd. Toen duwde iemand me opzij, rukte de microfoon uit mijn hand.
'Luisteren jullie godverdomme toch. Ik ken hem van vroeger, uit de Sneevlietbeweging.'
180