'Hoogland, de werkverschaffing, in het begin van de oorlog.'
'Jij mag nog eens raaien', zei hij nu lachend. Hij nam een trek aan zijn sigaret, inhaleerde diep, pakte mijn hand, terwijl hij eraan toevoegde: 'Jij krijgt van mij de vijf.'
Hij wilde niet meer loslaten, en met onze handen in elkaar gestrengeld vroeg hij: 'Jij denkt zeker dat ik dronken ben, hè?'
'Nee hoor', antwoordde ik geruststellend.
'Ik heb heus wel een borreltje op. Mijn wijf heeft me laten stikken, en wat moet ik alleen thuis doen? Zeg jij het nou eens, wat moet een mens alleen thuis doen?'
'Dat is rot voor je', vond ik, en ik meende het; in godsnaam, midden in de nacht, in de Utrechtsestraat.
'Alles is nou gesloten', mompelde hij, waarop hij uitnodigend vroeg: 'Ga je mee naar mijn huis? Ik woon in de Kerkstraat, vlakbij.'
'Ik heb vannacht gewerkt', verontschuldigde ik me, 'mijn bed roept.'
'Je voelt je zeker te goed voor me, hè, nu we niet meer aan één kiepkarretje staan. Je zal ook wel kapsones hebben gekregen', verweet hij me.
'Even dan', gaf ik toe.
Zwijgend liepen we naast elkaar op de smalle stoep, sloegen de Kerkstraat in. Hij zocht naar zijn sleutel, vond die in zijn broekzak, en terwijl hij me voorging kon ik in het licht van een lantaarn op het naambordje lezen: Joh. Duivenoord.
Op de trap was het donker. Wij stommelden naar boven, terwijl ik stevig de trapleuning vasthield. In de oorlog was ik zo eens, met krantjes in mijn zak, van een trap gevallen en me aan het touw waarmee de deur wordt
159