'Wil je soms dat er inflatie komt?'
'Ik wil niets. Ik wil alleen niet dat de narigheid op de arbeiders wordt verhaald. Waarom wordt het geld niet van de winsten genomen?'
'Dan wordt er minder geïnvesteerd, en krijg je werkloosheid. Daar zijn de arbeiders in de eerste plaats het slachtoffer van.'
'Behalve als de werktijd wordt verkort.'
'Jij denkt in utopieën. Intussen moet het economische leven doorgaan. Ingrijpen in de winsten... weet je waar dat toe leidt? Dan is het met de rust gedaan, want de reactie zou het nooit slikken. En wat dan? Revolutie? De arbeiders lachen je uit. Ze hebben wel iets anders aan hun hoofd. Vandaag een televisie, morgen misschien een eigen autootje.'
'Daar past zo'n bestedingsbeperking anders niet in.'
'Ach, we praten langs elkaar heen', antwoordde Wijnand korzelig, en greep zijn jas. 'Als dat artikel uit Alkmaar nog wordt doorgebeld, leg het dan op mijn bureau. Ik ga nu naar huis.'
'En?' vroeg Hilda toen ik weer op de steno kwam. Op hetzelfde ogenblik rinkelde een telefoon.
Een vriendelijke, oude baas uit Leeuwarden belde - als elke week - zijn muziekrecensie door, doorspekt met citaten uit boeken over Mozart of Beethoven die nooit werden meegenomen en die je rustig kon weglaten als hij het maar niet merkte. Straks zou hij soebatten: 'Doe een goed woordje voor me bij de redactie', en wilde niet geloven dat je als stenograaf niets te vertellen had. Hij had waarlijk een goddelijk geduld, steeds opnieuw, en een vertrouwen dat onverbiddelijk werd beschaamd. De recensent dicteer
155