'Van Overflakkee hoeft die dag niet van mijn vakantie te worden afgetrokken. Je kunt hem erover opbellen.'
'Al goed', mompelde Bollé.
Nu vatte ook Siem weer moed.
'Wanneer doe jij je examen voor tweehonderdvijftig lettergrepen?' vroeg hij aan mij.
Ik beet me op mijn lippen. Hij wist dat ik ervoor was gezakt omdat ik te zenuwachtig was geweest, mijn hand schokte toen ik moest opnemen.
Ik fietste naar huis met het gevoel, weer een dag verloren te hebben in mijn leven. Dat kon niemand begrijpen. 'Werk je dan liever op kantoor?' had Bep mij gevraagd. Natuurlijk niet. 'Een ander moet toch ook bij een baas werken', hield zij mij soms voor. 'Een arbeider die de hele dag in een fabriek staat is er heel wat erger aan toe dan jij. Je moet eens opletten hoe metaalbewerkers eruitzien. Die zijn door hun vak getekend.' Het was allemaal waar. Ik wist het wel. Maar ik kon het niet verdragen, een chef boven je die je van alles kon toesnauwen, en als je maar tien percent durfde terugzeggen van hetgeen hij je zei, kreeg je er last mee. Zo was het overal. Siem had gelijk. Elke redacteur was ook nog eens je chef. Zij dicteerden en ik moest opnemen. Of ik het eens was met wat zij schreven of niet, goed Nederlands of...
151