waar gekleurde lichtbundels, als vormden zij een toneelverlichting, binnenvielen door glas-in-loodramen, waarop vastberaden arbeiders in blauwe overalls fakkels en vlaggen torsten, schouder aan schouder naast de raderen van machtige machines en een fier kraaiende haan. Gegalm van stemmen vermengde zich met het gekets van voetstappen op de marmeren vloer en trappen die vijf verdiepingen hoog wentelden. Ik hoefde niet verder dan de tweede etage: personeelszaken.
Wat zou ik ook weer zeggen als ik bij Klaas Overflakkee was? Natuurlijk, de groeten van Bep. Vertellen dat ik kwam solliciteren. Maar dat had ik al geschreven. 'Meneer' had hij mij in zijn uitnodiging genoemd, meneer, gek als je elkaar zo goed kende. Die nacht van oud-en-nieuw, lang geleden, toen Bep en ik verkering kregen, had hij aan haar zij ingehaakt, vertelde ze later. Vreemd dat ik het niet meer wist. Ik schraapte luidruchtig mijn keel, misschien zou hij het horen. Toen klopte ik aan.
Op hetzelfde ogenblik opende Klaas de deur, legde een hand op mijn schouder en leidde me naar binnen. In een oogopslag keek ik of hij veel veranderd was. Vrij lang en schriel van postuur, zodat zijn groen tweedjasje om zijn schouders slobberde. Hij was toch iets dikker geworden, maar had nog steeds een smal, scherp gezicht, een grote neus, een spitse kin. Als een bontje lag zijn grijzend haar om zijn schedel die al begon te kalen.
'Ga toch zitten', herhaalde hij, terwijl hij achter zijn bureau plaatsnam. Hij keek me aandachtig aan. Zijn ogen waren vochtig, en ik kon hun kleur niet thuisbrengen.
'Ik heb je brief gelezen. Daar spreken we straks wel over. Hoe is het met Bep?' vroeg hij.
'Fijn', antwoordde ik.
126