plaatst, en heb ik er zelf geen last van gehad.'
Hoe zou hij daar bij zijn gekomen? had ik me al eerder afgevraagd, maar ik durfde het niet te vragen, wilde het ook niet. Stel je voor dat hij nog langer bleef hangen.
'Toch moet je nu gaan. Een andere keer is er alle tijd om eens samen te praten, vandaag kan het écht niet...'
Tjebbe fronste zijn wenkbrauwen.
'Is dat een manier van doen? Hebben we elkaar in jaren niet gezien, ben ik één keer in Amsterdam, ga ik speciaal naar jou toe... weet je wat jij bent? Een kleinburger ben je aan het worden. Papa met vrouwtje en twee kindertjes.'
Nu kreeg ik ook de pest in, stond op om te gebaren dat hij moest vertrekken. Nog steeds maakte hij geen aanstalten.
'Weet je tot wat voor conclusie ik in het kamp ben gekomen?' vroeg hij langzaam sprekend en terwijl ik de deur al voor hem open hield, vervolgde hij. 'Dat de joden een gedegenereerd ras zijn. Je had ze moeten zien vechten en smeken om hun leven. Onmenselijk gewoon...'
'Maar hun hele toestand was onmenselijk,' verdedigde ik, en schaamde me dat ik hem niet op zijn smoel sloeg. 'Jij hebt toch ook voor je leven gevochten? Hoe had je anders dat baantje bij de administratie gekregen.'
'Nou moet je niet insinueren,' begon hij dreigend te schreeuwen. Hij bedacht zich echter, greep zijn jas en smeet de deur achter zich dicht, die onmiddellijk weer werd geopend.
Het was de huisdokter, een boerse, joviale man, graag gezien in de hele buurt, en Lies was weg van hem. Toch had ik er moeite mee dat hij niet onmiddellijk na de vijfde mei een briefje had gestuurd, uit solidariteit, aan al zijn patiënten die hij van weggehaalde joodse dokters had
142