Met zijn drieën zaten we na schooltijd in de klas, de meester om te vragen of we al wisten waarom we gelachen hadden. Dan barstten we opnieuw in lachen uit, probeerden ons in te houden om na een blik, een geringe beweging, de trilling van een hand of van een knie weer aan het brullen te slaan. De tranen stonden ons in de ogen, onze kaken deden er pijn van. De slappe lach, wat kon je daar nou aan doen? Het was net als de hik, waar ook niets tegen hielp totdat het ineens verdween.
Was ik maar meteen naar huis gegaan die middag, stommerd dat ik ben. Maar buiten waren de jongens aan het stoeien, en wie doet dan niet mee? Valt er een voorover. Grijpt zich aan me vast. Breekt mijn bril. Kapoerius. Helemaal. De glazen leken wel spinnewebben, en toen ik het montuur goed wilde buigen brak het in tweeën. Ik moest er bijna om janken. Mijn schuld was het niet geweest. Zou je vader horen. Wij zullen hem wel vertellen dat jij er niks aan kon doen, zeiden mijn vriendjes. Eerlijk is eerlijk, ze liepen met me mee om het tegen hem te zeggen. Moet je vader kennen. Als hij driftig wordt luistert hij niet eens. Krijg je voor je kont, of je moet naar bed.
Ik kan het niet raden bij grote mensen.
'Nou is het afgelopen,' zei vader alleen. 'Jij krijgt geen bril meer. Daar kan een jehoede niet tegen werken wat jij me aan brillen kost.'
Dat viel reuze mee. Veel erger had ik verwacht. Geen bril meer? Nou, geen bril meer. Mij een zorg. Straffen noemden ze dat. Het boek een beetje dichter bij mijn ogen, dan ging het ook. En met schrijven? Je hoofd pal op je schrift. En de meester gaf je toch geen 5. Vroeger droegen de mensen ook geen brillen. Toen bestonden die dingen niet eens. Als je iets niet duidelijk zag hoefde je alleen maar je ogen een beetje dicht te knijpen en heel streng te kijken. Dat
85