Schtinkel — spottend voor klein, armoedig winkeltje (stin-
keltje) Sjlemiliteit — pech Mazzel — geluk Sjwindelen — knoeien Gesjmoesd — gekletst Sores — zorg Sjikkerlap — dronkaard Rechtsjaffen — rechtschapen Besjolmen — betalen Kootsen — rijk man
Kiddisjwijn — wijn ter heiliging van de sabbath Botsing
Bekattering — uitbrander Versjwartste nar — halve gek, pias Bijgoochem — betweter
Emigratie Gawwer — vriend Lawaaie — begrafenis Chassene — bruiloft Sjikker — dronken Sjat wat — hindert wat Kouch — kracht
Het stinkeltje Makkes — gebreken
Moeder sjat het een bole — moeder kan het niet schelen
74