68
ONDERWIJS.
de 19e eeuw, ziet men het aantal gelegenheden, waar onderwijs wordt gegeven, toenemen. Het particulier initiatief wordt verdrongen door overheidsbemoeiing, terwijl anderzijds de kerk zich toelegt op systematische organisatie van het onderwijs aan de kinderen van eigen religie.
Hoewel het de bedoeling was, niet al te veel cijfers te geven, mag het vermelden van de gegevens omtrent het percentage van het aantal kinderen van 6—13 jaar, dat, herhalings- en voorbereidend onderwijs nietmedegerekénd,in den loop der jaren het onderwijs volgde, niet achterwege blijven.
Dit percentage is voor de jaren 1859,1869,1879, 1889, 1899 en 1909 respectievelijk: 60.8, 61.5, 62.8, 71.5, 78.9 en 86.
In 1859 nemen 8149 kinderen deel aan het openbaar lager onderwijs, welk cijfer in 1909 is gestegen tot 64.794. Voor het bijzonder onderwijs zijn de cijfers: 17.386 in 1859 en 24.804 in 1909.
Toen in 1867 een nieuwe verordering op het lager onderwijs tot stand kwam, waren er 9 stadsburgerscholen en 25 armenscholen. Tot 1877 was het aantal leerlingen op de bijzondere en openbare scholen nagenoeg gelijk. Daarna is de invloed van de wet-Kappeijne duidelijk merkbaar.
In verhouding tot de vermeerdering van het aantal kinderen van 6—13 jaar, van 41.960 in