HOOFDSTUK IV.
ONDERWIJS.
Zal de ontwikkeling van het onderwijs in de 20e eeuw met hetzelfde tempo voortgaan, als zij in de voorafgegane eeuw voortgeschreden is? Zoo ja, dan moeten de hervormingen, die het onderwijs nog wacht, wel zeer ingrijpend en diepgaand wezen.
Wat is er toch in betrekkelijk korten tijd veel veranderd, zoo zegt men tot zichzelf bij het dichtslaan van een boekje, dat zoo aardig binnenleidde in de onderwijs-atmosfeer van het einde der 18e eeuw. Het is het bekroonde antwoord op de vraag, gesteld door „Het Nut van ’t Algemeen,” omtrent „Het belang der waare volksverlichting.” Den elfden van Hooymaand van het jaar 1800 is het te Amsterdam uitgegeven.
De schrijver, W. H. van der Ploeg, vertelt van den schoolmeester: „Daar zit een weezen, dat men — meester noemt, misschien een schoenlapper, die geen werk heeft, of een kleermaker, die door slegt gedrag verarmd is, of een luiaard,