58 ARMOEDE EN ONDERLING HULPBETOON.
Na 1880 breekt een tijd aan van groote werk-loozenbewegingen. De winters van 1884/85, 1885/86 en 1886/87 geven woeste tooneelen te aanschouwen. Bij duizenden trekken de werkloozen langs Heeren- en Keizersgrachten. Voor het eerst ontstaan vereenigingen van werkloozen, die groote beroering in de stad veroorzaken. In 1887 hebben brooduitdeelingen plaats, die ons na zoo langen tijd nog een gevoel van schaamte geven.
Onderling Hulpbetoon.
Wie doordringt tot in het hart van het volksleven, vindt daar vaak eigenschappen, die men, oppervlakkig ziende, bij „den gemeenen man” niet zou vermoed hebben.
Van zijn armzalig loontje heeft hij — of liever zij — getracht iets ter zijde te leggen voor den kwaden dag. Aan den drang om voorzorgen te nemen tegen de geldelijke gevolgen van ziekten, gaven ook in den ouden tijd zeer velen gevolg. Zij behoefden daarvoor niet altijd de buurt uit te gaan. In de onmiddellijke omgeving was er allicht een kroeg, waar een der vele „bossen” gevestigd was. Zulk een „Bos” vertegenwoordigt een stuk volksleven; in haar uit zich de drang naar onderling hulpbetoon.