ARMOEDE EN ONDERLING HULPBETOON. 57
subsidie was niet noodig. Na dat jaar, toen de kosten ƒ 1.46 per hoofd bedroegen, nemen de kosten onafgebroken toe. In 1910 zijn wij weer het cijfer van honderd jaar terug, ƒ 4.04, genaderd.
Toch is de verhouding veel gunstiger geworden; want toenmaals bedroeg het geheele budget der Gemeente ongeveer acht millioen, in 1910 twee en veertig en een half millioen.
De hulp van de kerkelijke en particuliere armenzorg is relatief verminderd. Welke bepalingen de Wetgever ook maakt, de ontwikkeling van het toenemen in belangrijkheid der burgerlijke armenzorg schijnt door niets te zijn te stuiten.
Alvorens van dit onderwerp afgestapt wordt, moet nog melding worden gemaakt van een nieuw verschijnsel, dat de schaduw vormt van de in-dustrieele ontwikkeling na 1870.
De moderne industrie brengt na 1870 hare crisissen en dientengevolge werkeloosheid mede, die duizenden gezinnen telkenmale in ellende dompelt. Deze gezinnen behooren niet tot de eigenlijke armen; zij komen in de officieele cijfers niet voor; toch is hun levenspeil gedurende de werkloosheidsperiode nog beneden dat der bedeelden. Fondsen ter ondersteuning van de werk-loozen bestonden er niet. Ieder moest zich zelf maar zien te helpen.