l88 EEN STUKJE POLITIEKE GESCHIEDENIS.
zouden dragen. Vereischten voor de verkiesbaarheid waren, dat men stemgerechtigd was, tot de vroedste en gegoedste ingezetenen behoorde, gedurende de laatste zeven jaar in de stad gewoond had en niet jonger dan 28 jaar was. De Raad vergaderde twee keer in de maand, met gesloten deuren. De president-wethouder was voorzitter. Het wetgevend gezag zou bij denRaad berusten, terwijl een college van 5, uit den Raad gekozen Wethouders, met het uitvoerend gezag belast was. Op den eersten Februari van ieder jaar zou een twaalfde gedeelte van den Raad, dus drie personen, aftreden, benevens 4 van de 5 wethouders. Het financieele beheer berustte bij een Kamer van Thesaurieren, die uit 6 Raadsleden bestond, waarvan er 2 tevens Wethouder moesten zijn. Volgens de staatsregeling zouden de leden der Gemeentebesturen door stemgerechtigde burgers gekozen worden, doch daar er nog geen kiesreglement was, geschiedde de benoeming voor de eerste maal door het Departementaal Bestuur van Holland. Twee keer in het jaar moesten de Wethouders plechtig aan den Raad verslag van hun beheer doen.
In 1804 werd vastgesteld, dat het costuum voor de Wethouders uit een zwart lakenschen tabbard of toga zou bestaan, „met zwart fluweel belegt,