104 SPIJS EN DRANK-
wordt aangenomen, en in de literatuur is de bevestiging daarvan wel te vinden, dat in den ouden tijd de zgn. „eerste klasse” zich overvloedig met vleesch voedde.
De samenstelling van maaltijden van regenten van Godshuizen, of van andere inrichtingen, wijzen er wel op, dat bij de goed-gesitueerden het eten en vooral het vleeschgebruik ook een goede plaats in het dagelijksch leven bekleedde.
De Maire van Amsterdam heeft 30 Juni 1812 ten behoeve van den Intendant van Binnen-landsche Zaken, Baron d’ Alphonse, een overzicht samengesteld van de levenswijze der Amster-damsche bevolking.
Het is niet veel dat hij vertelt en ook niet bijzonder diepgaand, maar toch nog juist voldoende, om den indruk te geven, dat de mindere man meer panharing dan vleesch at.
Ziet hier wat hij schrijft:
„De eerste klasse voedt zich in het algemeen met fijne spijzen, als met allerhande soort van vleesch, wild, gevogelte, visch en groente. In het bijzonder is men bij het nageregt gesteld op vroegrijpe vruchten. De burgerklasse eet meeren-deels alle soorten van vleesch en groente, waarbij men gewoonlijk gort en meelspijzen voegt, zoo ook erwten, boonen en aardappelen. Het gemeen