DE VERLICHTING.
dam zoo berucht geworden „Imperial Continental Gas Association,” die in 1834 vergunning kreeg, gas uit steenkolen of uit hout te stoken.
Voor Amsterdam werd daarmede een periode van concessies ingeluid, van beheersching door vreemd kapitaal, die de burgerij, gedupeerd en beknot in haar rechten, duur te staan kwam.
Men moet echter niet denken, dat het gas onmiddellijk het hart van de burgerij veroverde. Zelfs ontlokten de eerste proeven met de straatverlichting langs Prinsengracht, Amstel en Kloveniersburgwal der burgerij een aantal adressen aan den Gemeenteraad. Hoevele adressen in zake de gasverlichting zouden daarna den Raad niet bereiken! Ditmaal echter werd een pleidooi gehouden voor de olieverlichting. Een der argumenten was, dat de olielamp midden in de straten hing, terwijl de gaslantaarns aan weerszijden van de straten werden geplaatst.
Als de adressanten onze electrische booglampen weer in het midden van de straat konden zien hangen, zouden zij triomfantelijk uitroepen, dat het gelijk toch maar aan hun kant was geweest!
Was de olieverlichting voor de stad geen koopje — zij kostte jaarlijks ongeveer een mil-lioen — de gasverlichting muntte ook al niet uit