VERVOERWEZEN.
van ieders draagkracht. Desniettemin werden in het jaar 1919 nog 133.007.076 passagiers vervoerd.
Hoewel met 19 lijnen en 58.988 Meter spoor het trambedrijf een beteekenenden omvang heeft gekregen, is het toch niet geworden hetgeen het zijn kon.
Zooals in de industrie een ver doorgetrokken technische ontwikkeling soms weer terug voert naar het kleinbedrijf, zoo herneemt ook in het vervoerwezen het individueele vervoermiddel een deel van zijn verloren terrein.
Zoo ver is Amsterdam nog niet, dat een groot deel zijner burgerij er een eigen auto op na houdt. Zoo ver zal het vermoedelijk ook niet komen, ofschoon de auto-industrie nog merkwaardige verrassingen, vooral wat den prijs van het voertuig betreft, brengen kan.
In afwachting dat het daartoe komt, begint het rijwielteoverheerschen. Bij eenaantalvan ±80.000, hetwelk thans in onze stad gebezigd wordt, is het geen wonder, dat op de tijdstippen, waarop werklieden, kantoorpersoneel etc. van hun werk komen, of daarheen gaan, zwermen fietsen langs het gemeenschappelijk vervoermiddel, de tram, snorren en wedijveren in snelheid.
Tegenover dit getal legt het aantal auto’s, 2300,