74
VERVOERWEZEN.
een rijtuig zonder wielen, de romp van een brommertje, met zijn stel riemen op een stel houten sleeën gezet. Er was geen ander licht in dan dat, hetwelk door de raampjes van de portieren kwam en het placht met vuil groen trijp bekleed te zijn. Het kroop als een verminkte over de straat voort, zacht en onnoozel knikkend, getrokken door een sleepersknol. Ter linkerzij liep de sleeper, in de eene hand de leidsels, in de andere een soort van handvatsel, dat aan de slee verbonden was en waarmee hij het voertuig moest leiden, trekken of afduwen, wanneer het de glooiing van een brug moest oversteken, of waarmee hij het moest tegenhouden, wanneer het te hard van een brug glijden mocht. Hij had ook een vuilen, vetten lap aan een touw bij zich — smeerlap in den eigenlijken zin van het woord — dien hij soms, vooral bij droog weer, het voertuig voor de stugge sleden wierp, om zijn weg glad en zijn gang voorspoedig te maken. Van nature toch was de toeslee lui. Ze ging af met een schok en bleef staan met een schok.”
Voor haar waren de voorschriften niet noodig, tenzij er sneeuw gevallen was; dan pas kwam zij in haar element en had de sleeper moeite genoeg, als zij van de hooge bruggen af kwam, om haar in toom te houden.
Zij vond haar pendant in de statiekoets, wier