Langzaam werden de dagen wreed.
Het werd nu een einde- en eindeloos geduw, gesleép, geslof door de stad, in regen en zon, van den kriekenden morgen tot den laten nacht. Het werd een onmerkbare ver-glijding van zijn eigen leven in het hamerende gejaag, ge-zwiep, gegrijns van geoorloofde annexatie, een algeheele negeering van zijn eigen bestaan, een gulzige naasting van zijn lijf, een betaalde vervreting van zijn geluk in de schreeuwende drijving van het alles vertrappende zaakjes-belang.
En als hij soms, een enkelen keer, iets in zich op voelde kittelen, een vlammende woede, om alles stuk te slaan, de baas te grijpen in z'n nèk zóo zóo — fijntjes — fijntjes — en hem te trappen, te schoppen te spugen in z’n gezicht, te ranselen tegen den grond — verrèkkeling — die ?m geen stukje brood gunde — neé, neé, hij wist *t nou, ’t was allemaal voor hèm — hij gunde ’m nog geen vijf minute voor z’n éte — neé, neé, verrèkkeling — die ’m maar sappele liet, sappele ’s morges sappele ’s middags sappele s’aves — sappele ’s nachs soms, en dan Vrijdagavet met ’n gulde over in z’n zak naar huis liet gaan: — hier, hier is geld — je gèld — waar-ie wel zoo twee kwartjes van