dagen anders niet met hem sprak dan *t allernoodigste over ’t werk.
Want hij geloofde nog aan wat goeds in iedereen, óók in den baas; hij durfde hem zoo gauw niet veroordeelen, hij was hem zoo raadselachtig, zoo onverklaarbaar in zijn eeuwige onrust van doen; in zijn vertrouwelijkheid nu, zijn loerende wantrouwen dan, in zijn patserige bitsheid tegenover de juffrouw soms, dan weer aanhaligheid, die hem zoo eerlijk scheen; hij kón hem niet leeren kennen, omdat hij de eersie dagen altijd weer het geloof in zich voelde, het mooie ijzeren gelooven in menschenmooi, dat hem altijd was bijgebleven als iets zachts — als iets van God, Godzelf, die hij zich zoo wondermooi dacht, hoog, hoog, boven de zon, maar overal, overal ook, ook hier, ook in hemzelf, in zijn binnenste, daar was-ie ook soms Gód ... daar wist hij hem, een zachtwijde, ruime schoonheid....